spacer
  home/ Film/ geschiedenis van de film    
spacer

Geschiedenis van de Film
De eerste films werden rond 1890 gemaakt. Dit waren vooral foto's die achter elkaar werden vertoond. Er werden bijvoorbeeld een aantal fotocamera's met een touw achter elkaar gespannen waarna een paard de draden kapot liep en er een foto gemaakt werd. Door de foto's snel achter elkaar te vertonen ontstond er bewegend beeld.

Om echte vloeiende bewegingen te kunnen zien waren er minstens 10 beelden (foto's) per seconde nodig. Dit werd pas mogelijk na een aantal technische ontwikkelingen;
1. De sluitertijd werd gereduceerd van enkele minuten tot een fractie van een seconde
2. De introductie van celluloid rollen in 1889 waardoor het fotomateriaal door het film apparaat kon draaien en zo als het ware constant foto's kon maken.

Toen er, rond 1895, meerdere beelden per seconde gemaakt konden worden, werden er project apparaten ontwikkeld zoals de zoötroop, een ronddraaiende trommel met spleetjes zodat de illusie van beweging werd gewekt. Thomas Edison kwam in die tijd met de eerste Kinetoscoop, de eerste filmprojector waar een persoon tegelijk naar een filmpje kon kijken. Films werden in die tijd vooral vertoond in rond trekkende gezelschappen zoals kermissen en circussen, het was nog een rariteit. Rond 1910 kwamen de eerste bioscopen, dit waren veelal omgebouwde theaters. Vandaar dat er in oude bioscopen nog steeds rode gordijnen voor het scherm hangen.

Films werden zonder geluid opgenomen, dit noemen we stomme films. Er was simpelweg geen technologie om beeld en geluid gelijktijdig op te nemen. In de bioscoop werd daarom vaak live muziek gespeeld, soms alleen met piano maar soms ook met een heel orkest. Vaak was er ook een verteller in de bioscoopzaal aanwezig die zeer bepalend was; een goede verteller zorgde voor een enthousiast publiek, een slechte verteller had gegarandeerd een publiek dat de film minder leuk vond. Doordat er geen geluid bij de film was moest alles met beeld verteld worden. Eén van de pioniers op het gebied van film special effects was de Fransman Georges Méliès (Le voyage dans la lune). Hij creëerde in zijn studio fantasie werelden en gebruikte zelfs animaties in zijn films.

Films werden steeds langer, van enkele seconden naar meerdere minuten zoals "The Great Train Robbery" die 12 minuten duurde. Rond 1915 werd het gangbaar om lange speelfilms van 70 tot 100 minuten te maken. Een van de pioniers op gebied van filmmontage en de visuele verhaalvertelling uit de VS was regisseur D.W. Griffith. Zijn bekendste films waren de historische epossen "The Birth of a Nation" (1915) en "Intolerance" (1916). In Rusland bracht Sergei Eisenstein zijn montagetechnieken zoals ritmisch monteren en intellectuele montage naar het publiek met films als Potemkin en Oktober. Beide filmmakers zijn van grote invloed geweest op filmmakers na 1920.

De filmindustrie was groot in Frankrijk, Italië en Duitsland maar door de Tweede Wereldoorlog stortte de Europese filmindustrie in. Hollywood werd daardoor het filmcentrum van de wereld en is dat daarna altijd gebleven.

In America ontstond het fenomeen filmster, Charlie Chaplin, Harold Lloyd, Buster Keaton, Douglas Fairbanks, en Mary Pickford, waren ongekend populair over de hele wereld. Hun naam alleen al zorgde voor enorme aantallen bioscoop bezoekers.

In de jaren 20 lukte het al om geluid aan films toe te voegen maar het duurde nog tot begin jaren 30 voordat dit gemeengoed werd. Eén van de eerste geluidsfilms was The Jazz Singer. Het geluid werd met een grammofoonplaat tijdens de voorstelling van de film afgespeeld maar als snel werd het geluid toegevoegd op het filmmateriaal zodat het geluid nooit meer uit sync (geluid niet gelijktijdig met beeld) kon lopen. Veel acteurs uit de stomme film verloren hun baan omdat hun stem niet goed overkwam in de geluidsfilm (The Artist). Bekende acteurs uit de eerste geluidsfilms waren Clark Gable, Katharine Hepburn, Humphrey Bogart Shirley Temple en Laurel en Hardy (Dikke en Dunne).

Tot 1960 werden films soms ingekleurd of op zeer duur kleur gevoelige negatieven opgenomen maar in de regel waren de films in zwart-wit. Vanaf 1960 kwam de kleurenfilm opzetten. Voor het opnemen van films is er sinds die tijd weinig veranderd. Er wordt met 32 mm negatieven gefilmd die dusdanig scherp beeld geven dat het op een groot scherm vertoond kan worden. Sinds 1990 is er wel steeds meer gebruik gemaakt van computer technieken voor onder andere special effects. Door acteurs achter een blue screen (meestal een groene wand) te laten acteren, kan de achtergrond d.m.v. de computer worden ingevuld zodat het lijkt alsof de acteur op een andere planeet is. De eerste volledig computergeanimeerde film was Toy Story van Pixar. 3D films worden met 2 camera's opgenomen en met de computer bewerkt om zo een drie dimensionaal effect te creëren. Films worden sinds 2000 steeds meer digitaal opgeslagen op een harde schijf in plaats van op een filmrol.

Een volgende ontwikkeling zou kunnen zijn dat er Virtual Reality films gemaakt gaan worden waarbij de bezoeker invloed heeft op het verhaal en wat hij te zien krijgt.


 

spacer
         
spacer