spacer
spacer home/ tv/ tv techniek spacer
 

TV Techniek
Eerste Televisies
De televisie is een apparaat dat elektronische signalen kan omzetten in licht en zo een beeld vormt. De eerste tv’s ontstonden rond 1930. Een volledig elektronisch televisie systeem werd eerst getoond door Philo Taylor Farnsworth in 1927. Hiervoor waren de televisie systemen afhankelijkheid van draaiende schijven en andere mechanische delen.
De beeldbuizen werkte als volgt; Een stroom elektronen wordt opgewekt met een elektronenkanon  achter in de beeldbuis, en gericht op de binnenzijde van het beeldscherm. Er wordt een zeer hoge spanning op de binnenzijde van het scherm gebracht, tussen 15.000 en 25.000 volt. Deze spanning zorgt dat de elektronen een grote snelheid behalen, als ze geen obstakels zoals gasmoleculen tegenkomen. Om te voorkomen dat er door botsingen met deze obstakels te veel warmte wordt opgewekt, is de beeldbuis zo goed mogelijk vacuüm gezogen. Het drukverschil tussen buitenzijde en inwendige van de beeldbuis is bijna 1 kg per vierkante centimeter. Het glas is zeer dik om deze druk te weerstaan. De elektronen raken een fosforescerende laag, en ter plaatse geeft die laag daardoor zichtbaar licht.

Beeldopbouw
In het Europese televisiesysteem wordt het beeld in 625 lijnen op het scherm geschreven. De lijnen worden van boven naar beneden geschreven, eerst de oneven lijnen daarna de even. Omdat het licht van de fosforescerende laag snel uitdooft, geeft dit een rustiger beeld dan wanneer alle lijnen op volgorde zouden worden geschreven. Dit geheel (oneven + even beeld) wordt 25× per seconde herhaald. Het ontvangen videosignaal bevat de helderheid (tussen zwart en wit) van elk beeldpuntje, maar ook een plotselinge signaalverandering om het begin van elke lijn aan te duiden. De eerste paar lijnen van elk beeld zijn zwart, en hiermee meestal afwijkend van de rest van het beeld.

Elektronenstraal
Om de elektronenstraal in de beeldbuis in dit lijnenpatroon over het scherm te bewegen worden afbuigspoelen gebruikt. Deze omvatten het elektronenkanon in de achterzijde van de beeldbuis. Om deze afbuigspoelen aan te sturen zijn twee signaalgevers nodig. De eerste signaalgever is de lijnoscillator. De tweede signaalgever is de rasteroscillator van 50 Hz voor de beelden. Het is niet toevallig dat voor 50 Hz (25 beelden per seconde) is gekozen in landen waar de frequentie van de netspanning ook 50 Hz is. Storing vanuit het lichtnet (netbrom) is dan eenvoudiger uit het beeld te houden. In onder andere de Verenigde Staten, met een netfrequentie van 60 Hz, gebruikt men om dezelfde reden 30 beelden per seconde.

Synchronisatie
De raster- en lijn-oscillator worden iets te langzaam ingesteld, en deze gaan daardoor iets achter raken ten opzichte van de zender. Dit geeft de gelegenheid de oscillator door middel van een stuursignaal synchroon te laten lopen met de zender. De hierboven omschreven "afwijkingen" in het video-signaal geven de informatie voor dit synchroniseren.

Kleurentelevisie
Er bestaan drie gangbare soorten beeldschermtechnologieën: de lcd-televisie, de plasmatelevisie en de CRT- of beeldbuistelevisie. De lcd-televisie is betrekkelijk nieuw, de plasmatelevisie iets ouder (1995) en de CRT-televisie bestaat al langer (1951).
In een CRT kleurentelevisie zijn er drie elektronenkanonnen achter in de beeldbuis, in eerste instantie in een driehoek geplaatst (van de voorzijde gezien) maar later naast elkaar (in-line beeldbuis). Direct achter de voorzijde van de beeldbuis is een raster geplaatst, het zogenaamde schaduwmasker. Elk elektronenkanon kan alleen puntjes op het scherm raken voor de eigen kleur, doordat de drie stralen onder een andere hoek door dezelfde gaatjes van het raster gaan. Er worden fosforen gebruikt die oplichten in elk van de primaire kleuren rood, groen en blauw. Door een combinatie van helderheid van deze drie kleuren kan elke gewenste kleur getoond worden.
Een lcd-scherm straalt zelf geen licht uit, maar manipuleert het omgevingslicht of het licht dat vanaf de achterzijde door kan stralen. Elke pixel uit het scherm bestaat uit twee groepen vloeibare kristallen. Deze kristallen hebben de eigenschap dat ze afhankelijk van wel of geen aangelegde spanning, opvallend of doorvallend licht in polarisatie verdraaien. Als er geen spanning op een van de lagen staat, gebeurt er niets en kan het licht er gewoon door. Echter als er spanning op wordt gezet, kan het licht er niet meer of slechter door.
Bij een plasmatelevisie worden de beeldpunten gevormd door kleine gasontladingslampjes, enigszins vergelijkbaar met het principe van bijvoorbeeld een tl-lamp. Door de juiste materiaalkeuze worden de verschillende kleuren per beeldpunt uitgestraald. In een plasma display wordt elektrische energie aan een gasmengsel toegevoegd. Plasma is instabiel en geeft de opgenomen energie af in de vorm van warmte en een ultraviolette lichtstraal (foton). Een fosforescerende laag zet het ultraviolette licht om in zichtbaar licht. De kleur van dit zichtbare licht wordt bepaald door het fosfor. Om ruim 17 miljoen verschillende kleuren te kunnen maken worden er rode, groene en blauwe kleuren opgewekt. Deze kleuren mengen zich tot de gewenste kleur.

Geschiedenis van de tv



 
       
spacer